Met kleindochter Fay stuitte ik in het Exloose bos op een hunebed. De gemeente Borger-Odoorn telt er 18 van de 54 hunebedden die Nederland rijk is, dus ook dit bed konden we verwachten. Fay klauterde over de grote dekstenen van het grafmonument en waagde een sprong van ruim anderhalve meter hoogte. “Weet je wat een hunebed eigenlijk is?” vroeg ik Fay. “Een bed?” vroeg ze weifelend. “Nee, het is een graf. 5000 jaar geleden begroeven de mensen daarin hun doden.” Fay wilde weten, waarom mensen toen niet begraven werden in een kist, zoals tegenwoordig. Tja, gewoonten veranderen nu eenmaal in de loop der tijd. Fay gluurde onder de grote stenen door. “Liggen er nog steeds mensen in?”
Na 5000 jaar zal daar niet veel meer van over zijn. Maar men had wel allerlei vaatwerk gevonden dat in het graf was bijgezet. Fay wilde weten waartoe dat diende. Misschien om voedsel en drank mee te geven voor de reis naar het hiernamaals. Of waardevolle spullen. “En zijn die eruit gehaald?”- “Ja, er zijn veel potten en kruiken in de graven gevonden en naar musea gebracht” . Fay vond dat niet in orde. Ook al waren de mensen dood en wellicht tot stof vergaan, het bleef diefstal. En al had ze zelf weinig vertrouwen in het bestaan van een hiernamaals, ze vond wel, dat dit “onzichtbare verzinsel” van een ander gerespecteerd moest worden. “En stel je voor”, zo mijmerde ze voort, “als het toch bestaat, dan zijn die mensen ineens hun spullen kwijt!” Maar, stel dat die voorwerpen er ongeveer 100 jaar geleden uit zijn gehaald, dan hebben die doden er toch nog 4900 jaar plezier van gehad. Fay was het ermee eens, dat dit wel heel erg oude doden betrof.
Zodra het weer het toelaat, stap ik op de fiets om de sfeer van mijn omgeving te proeven. Het landschap is zowel prachtig als afwisselend. De provincie Drenthe is lange tijd een van de armste gebieden van Nederland geweest en het is misschien wel dankzij die voormalige armoede, dat er nog zoveel historisch moois is bewaard gebleven. De armelijke plaggenhutten zijn verdwenen, maar de rustieke dorpen met hun ruime opbouw en hun prachtige grote boerderijen zijn gebleven. Het landschap kent weinig benauwenis. Zelfs de eenvoudigste huisjes zijn vrijstaand en voorzien van een erf. Het lijkt wel of de tijd hier heeft stilgestaan. In west Nederland zijn de dorpen en steden voortdurend aangepast aan steeds nieuwere inzichten, maar hier in de Drentsche dorpen worden zelfs nieuwe huisjes nog steeds gebouwd in traditionele stijl.
En ook de gewoontes van de Drentenaren lijken niet aangepast aan de veranderde mentaliteit van tegenwoordig. Gedurende mijn pendeltochtjes van dorpje tot dorpje kom ik vele ‘thuiswinkeltjes’ tegen: tafeltjes langs de kant van de weg waarop eieren, fruit, pompoenen, potjes jam, open haardhout en vele andere opbrengsten van het boerenbedrijf te koop worden aangeboden. Op het tafeltje staat een potje of een trommeltje voor het geld. En later in de middag is het tafeltje leeg en het potje vol. Moet je in Den Haag eens proberen!
Maar ondanks die zo begeerde rust en schoonheid lijken veel mensen hier toch heel graag weg te willen. Er staan heel veel huizen en boerenbedrijven te koop. Wat is hier aan de hand, dat zoveel mensen, die op zo’n mooie plek wonen, zo graag weer weg willen?? Ik vind daar niet zo gauw een antwoord op.












